Boetseerklei is klei die bedoeld is om met de hand gemodelleerd
(geboetseerd) te worden, waarna het object gedroogd en vervolgens
gebakken wordt. De techniek wordt veel gebruikt voor het maken
van beelden en wordt onderwezen op de middelbare school bij handenarbeid/handvaardigheid,
en op kunstacademies.
Klei is een grondsoort die bestaat uit kleine, platige
deeltjes.
Kleideeltjes zijn kleiner dan 0,002 mm. Klei is een mineraal,
waarvan vele soorten bestaan. Kleigronden zijn, vergeleken met
zand, slecht waterdoorlatend. In droge tijden houden ze veel
langer water vast, maar in natte tijden verdrinken gewassen eerder.
Ook hebben kleigronden minder last van uitspoeling dan zandgronden.
Hierdoor houden ze beter voedselstoffen voor planten vast en
zijn ze over het algemeen voedselrijk. Pogingen om in het kader
van natuurbeheer kleigronden te verschralen zijn nutteloos of
moeten zeer lange tijd worden volgehouden.
Klei komt in Nederland met name voor in de kuststreken (zeeklei)
en langs de rivieren (rivierklei). Kleigronden die ontwaterd
worden, komen lager te liggen, doordat het water dat zorgde voor
meer ruimte tussen de kleideeltjes verdwenen is en de kleideeltjes
dichter op elkaar komen te zitten. Dit verschijnsel wordt bodemdaling
of inklinking genoemd.
Sommige kleisoorten, zoals potklei, worden gebruikt
voor aardewerk, keramiek of baksteen. In de dijkenbouw en andere
civieltechnische constructies wordt zowel klei als keileem gebruikt.
Klei die een zekere hoeveelheid water bevat, kan men kneden
in elke gewenste vorm. Laat men de klei hierna opdrogen, dan
wordt deze hard. Door wateropname kan de klei echter dan nog
weer zacht worden. Als de klei echter gebakken wordt in een voldoende
hete oven wordt hij hard omdat de kleideeltjes aan elkaar sinteren.
Dit is een onomkeerbaar proces: de gebakken klei wordt niet meer
zacht, ook niet als er weer water aan wordt toegevoegd.
Door andere materialen aan klei toe te voegen, kan men speciale
eigenschappen bekomen, zoals bvb. bij papierklei of vlasklei.