´kijk kast
de kijkkast; de kijkkasten
1 - <schertsend> televisie
kijk
de kijk (mannelijk)
1 - het kijken
voorbeeld
+ voorzetsel
te kijk zitten, staan
zó dat men door iedereen gezien kan worden
in een ongunstig daglicht staan
iemand te kijk zetten
voor schut zetten
met iets te kijk lopen
er de aandacht op vestigen
tot kijk
tot ziens
2 - mening, inzicht
voorbeeld
+ bijvoeglijk naamwoord
een frisse kijk op iets hebben
iets onbevooroordeeld bekijken
+ voorzetsel
kijk op iets hebben
kunnen beoordelen
¶ idioom
voorbeeld
+ telwoord of lidwoord
daar is geen kijk op
daar is weinig kans op
kast
de kast; de kasten
1 - ingebouwd of staand meubel met deuren en/of laden
voorbeeld
+ voorzetsel
iemand op de kast jagen, krijgen
<figuurlijk> kwaad maken
op de kast zitten
<figuurlijk> boos, geïrriteerd zijn
samenstelling
brandkast, boekenkast, hangkast
2 - met een deur afsluitbaar deel van een meubel
3 - stevige, beschermende ombouw
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
de kast van een horloge
+ voorzetsel
<in België> in het kastje hangen
in ondertrouw zijn
4 - zeer ruim of vervallen gebouw, voer- of vaartuig
voorbeeld
+ voorzetsel
een kast van een huis
een heel groot huis
5 - <Bargoens> gevangenis
voorbeeld
+ voorzetsel
in de kast zitten
6 - <biologie> bijenkast
|