kunst
de kunst (vrouwelijk); de kunsten
1 - <geen meervoud> het creatief en origineel tot uiting
of voorstelling brengen van gedachten of gevoelens op vaak ontroerende
of schokkende wijze
voorbeeld
+ voorzetsel
Kunst met een grote K = belangrijke, algemeen geaccepteerde
kunst
kunst met een kleine k = kleinkunst, kunstnijverheid
en huisvlijt
de kunst om de kunst
samenstelling
kleinkunst
2 - elk van de disciplines die door kunstenaars beoefend
worden
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
kunsten en wetenschappen
+ bijvoeglijk naamwoord
de beeldende kunsten = de schilder-, teken-, en
beeldhouwkunst
de vrije kunsten = grammatica, retorica, dialectica,
meet-, reken-, sterrenkunde en muziek
samenstelling
bouwkunst, schilderkunst
3 - <geen meervoud> een of meer kunstwerken
4 - door oefening en studie verkregen kundigheid, vaardigheid
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
volgens de regelen der kunst = zoals vereist wordt,
voorgeschreven is
+ bijvoeglijk naamwoord
zwarte kunst
toverij
+ werkwoord
iemand de kunst afkijken
oefening baart kunst = door te oefenen wordt men
ergens goed in
iemands kunst beproeven = hij verstaat de kunst
met mensen om te gaan
+ voorzetsel
dat is uit de kunst = uitstekend
samenstelling
camouflagekunst, geneeskunst
5 - het verrichten van iets dat in het algemeen moeilijk
wordt gevonden
voorbeeld
+ bijvoeglijk naamwoord
een koud kunstje = iets simpels
+ werkwoord
<ironisch> iemand een kunstje flikken = iemand benadelen
dat is juist de kunst
hebben is hebben, maar krijgen is de kunst
kunsten maken, vertonen
<figuurlijk> zich aanstellen
+ telwoord of lidwoord
zo is er geen kunst aan
6 - <geen meervoud> wat door mensen en niet door de
natuur is gemaakt
be´drijf
het bedrijf; de bedrijven
1 - inrichting voor de uitoefening van een bepaalde tak van
industrie, handel enzovoort
voorbeeld
+ bijvoeglijk naamwoord
een beschut bedrijf = waarin door ontbreken van
concurrentie afwenteling van loonsverhoging op de consument mogelijk
is
facilitair bedrijf = omroepproductiebedrijf dat ondersteunende
voorzieningen verschaft
gemengd bedrijf = agrarische onderneming met zowel veeteelt
als landbouw
samenstelling
kledingbedrijf, staatsbedrijf, busbedrijf, Kluwerbedrijf,
moederbedrijf, havenbedrijf,
grootwinkelbedrijf, familiebedrijf, waterleidingbedrijf, offshorebedrijf
2 - hoofddeel van een toneelstuk, opera of film
voorbeeld
+ voorzetsel
tussen/onder de bedrijven door
tussendoor, en passant
3 <geen meervoud> werking, exploitatie
voorbeeld
+ voorzetsel
buiten bedrijf zijn
in bedrijf stellen
4 - <geen meervoud> beroepswerkzaamheid, handwerk
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
het bedrijf van meubelmaker
|