|
Referentiekader
Zowel het kind als de school, functioneren binnen een gemeenschap,
een milieu, van waaruit het referentiekader ten aanzien van homoseksualiteit
gevoed wordt. Zowel door de ouders, als door de leerkracht, worden
ideeën over homoseksualiteit de wereld ingestuurd en deze
worden bewust of onbewust overgebracht op het kind. Het kind
is echter niet alleen afhankelijk van zijn informatie van de
leerkracht en zijn ouders, maar krijgt ook informatie vanuit
de media en van vriendjes, ofwel vanuit de samenleving. Al deze
bronnen van informatie hebben invloed op de ontwikkeling van
het referentiekader van het kind.
|
Wat we in onze maatschappij zien, is dat zich reeds bij jonge
kinderen een vorm van homofobie ontwikkelt: het kind denkt negatief
over homoseksualiteit, zonder dat hiervoor een gegronde of een
aanwijsbare reden bestaat. Dit blijkt ondermeer uit het feit
dat homo een veel gebruikt scheldwoord is op de basisschool.
Van homofobie gaat een discriminerende en destructieve werking
uit, welke zelfs het kind zelf uiteindelijk fataal kan worden.
Veel homoseksuele jongeren vallen ten deel aan mishandeling,
onverantwoordelijk seksueel gedrag, aan verslavingen, depressies
en een verhoogd risico op zelfdoding.
|
Een positief oordeel zal het meest voorkomen wanneer het getoonde
past in het referentiekader van de toeschouwer, voor een
deel samenvalt met de eigen verwachtingen, maar voor een deel
ook verrassende, nieuwe elementen bevat. Dergelijke nieuwe informatie
(zowel cognitieve als emotionele) kan worden toegevoegd of geïntegreerd
in de reeds bestaande kennis- en ervaringsconstructies van de
toeschouwer.
Onder herhaalde impulsen ontstaat er een relatie tussen de
museale wereld en de leefwereld van de nieuwe doelgroep. Voor
de musea is de uitdaging aansluiting te zoeken bij het referentiekader
van culturele minderheidsgroepen, dit zowel binnen als buiten
de museummuren.
Het jaarcongres biedt in november van elk jaar een spetterend
programma met vooraanstaande (inter)nationale sprekers van binnen
en buiten het vakgebied die vanuit hun referentiekader reflecteren
op de ontwikkelingen in de sector afval en reiniging. Het congres
wordt 's avonds afgesloten met een feestavond. De deelnemers
aan de benchmark zien hun resultaten geplaatst in het referentiekader
van de totale branche.
|
Negatief zal het oordeel zijn
als de voorstelling volledig buiten het referentiekader van
de toeschouwer valt en teveel nieuwe informatie bevat. Dat gebeurt
het meest wanneer een voorstelling een grote mate van complexiteit
vertoont. Haanstra (1995) refereert aan theorieën over de
'kromlijnige' relatie tussen complexiteit en waardering: bij
toenemende complexiteit neemt de waardering eerst toe, maar na
een bepaald optimum neemt de waardering weer af. Dat optimum
ligt voor mensen met grotere informatieverwerkingscapaciteit
verder weg. Met andere woorden: ze kunnen relatief complexere
kunst meer waarderen dan mensen met een lagere verwerkingscapaciteit. |
Nieuwe Europese instrumenten voor het vreemdetalenleren
Het Europees Referentiekader en de Taalportfolio
Door de toenemende internationalisering ontstaat er meer behoefte
aan instrumenten waarmee Europese bedrijven op een eenduidige
en transparante wijze kunnen omgaan met de taalvaardigheid van
hun medewerkers. Wat betekent het immers wanneer u van uw medewerkers
verwacht dat zij vlot een of meerdere vreemde talen spreken?
Hoe bepaalt u bij personeelswerving welke kandidaat wel of niet
over de juiste vaardigheden in een vreemde taal beschikt? Hoe
komt u te weten welke vaardigheden uw medewerkers al beheersen
en aan welke er nog moet worden gewerkt?
De Raad van Europa heeft verschillende deskundigen de opdracht
gegeven instrumenten te ontwikkelen waarmee aan de hierboven
beschreven behoeften tegemoet kon worden gekomen. Dit heeft twee
instrumenten opgeleverd: een Europees Referentiekader voor de
moderne talen (Modern Languages: Learning, Teaching, Assessment.
A Common European Framework of Reference, Strasbourg, Council
of Europe, 1997) en een Europese Taalportfolio.
Wat is het Europees Referentiekader?
Het Europees Referentiekader is tot stand gekomen onder auspiciën
van de Raad van Europa, die ook al eerder invloedrijke publicaties
op het vlak van de moderne vreemde talen ontwikkelde zoals het
Drempelniveau (Threshold Level, Niveau Seuil,
Kontaktschwelle,). Het Referentiekader schetst in 9 hoofdstukken
een overzicht van de begrippen en de ideeën die aan modern
vreemdetalenleren ten gronde liggen. Het document is niet gebonden
aan één specifieke taal van de lidstaten. Het wil
immers uitdrukkelijk een instrument zijn waarmee het talenonderwijs
op Europese schaal op elkaar kan worden afgestemd. Anderzijds
vormt het ook een basis voor de wederzijdse erkenning van taalkwalificaties
binnen Europa. Aan de hand van het Referentiekader zou het moeten
mogelijk worden om behaalde niveaus van taalvaardigheid vergelijkenderwijs
te beschrijven.
Het Referentiekader is op grote schaal verspreid in Europa.
Dat mag blijken uit het feit dat het binnen de Europese Unie
gehanteerd wordt bij de vergelijking van taalkwalificaties, zoals
bij de personeelswerving.
Schalen en niveaus
Ongetwijfeld het belangrijkste hoofdstuk van het Referentiekader
is datgene wat de Europese schaal van taalvaardigheid presenteert.
Het gaat daarbij om een schaal met zes niveaus (van A1 tot en
met C2) die zijn vastgesteld voor de vaardigheden:
* lezen;
* luisteren;
* mondelinge interactie (of 'gesprekken voeren');
* mondelinge productie (of 'spreken');
* schrijven.
De zes niveaus worden gegroepeerd in drie groepen volgens
de functionele mogelijkheden van de beheerste vaardigheid:
|
basisgebruiker |
zelfstandig gebruiker |
vaardig gebruiker |
|
A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
C1 |
C2 |
|
Breakthrough |
Waystage |
Threshold |
Vantage |
Effective
Proficiency |
Mastery |
Voor elk van deze niveaus is een algemene beschrijving gemaakt
die ook voor een niet-specialist op talengebied (zoals de taalcursist,
de werkgever, de selectieverantwoordelijke enz.) te begrijpen
en bruikbaar is. Daarnaast is er voor elk niveau ook een specifieke
beschrijving gemaakt die taalvaardigheidsniveaus op een meer
gedetailleerde manier beschrijft, zodat ook de deskundige zoals
de taaltrainer hetzelfde instrument kan gebruiken om een specifieke
formulering van taalvaardigheid aan een bepaald niveau toe te
wijzen. Daardoor ontstaat een veel beter systeem van niveaubepaling
dan we tot nu toe hadden.
Wat doet u als HRM- of opleidingsverantwoordelijke met
de Europese taalniveaus?
Wanneer u over afzienbare tijd een cv ontvangt van een sollicitant
die meldt dat zijn talenkennis voor het Frans zich op niveau
B2 bevindt, dan kunt u aan de hand van de taalvaardigheidsschaal
van het Europees Referentiekader precies te weten komen wat dat
inhoudt.
Wie zijn eigen of andermans taalvaardigheidsniveau kent, weet
ook welke mogelijke lacunes er nog in die vaardigheid zijn. En
ook die tekorten kunnen in termen van het Europees Referentiekader
worden beschreven. Een taaltraining zal dan ook steeds uitgaan
van een algemene niveaubepaling van de kandidaat. Aan de hand
van een specifieke beschrijving van de vereiste deelvaardigheden
op zijn huidig en hogere niveaus kan dan in overleg met de kandidaat
en zijn chef bepaald worden waarop de klemtoon dient gelegd te
worden in zijn training. Daardoor ontstaat een weliswaar systematisch,
maar toch gepersonaliseerd programma. Concreet betekent dit dat
er nog nauwelijks uitgebreide, langlopende taaltrainingen gepland
worden, maar veeleer intensieve, kortlopende modules die zich
richten op het verwerven van één bepaalde deelvaardigheid
zoals het telefoneren, het schrijven van laborapporten of het
hanteren van financiële terminologie, telkens in een vreemde
taal.
Laten we nog een stap verdergaan: de ontwikkelingen op het
vlak van het vreemdetalenleren zullen in de toekomst ook te merken
zijn in de personeelsadvertenties. Waar tot nu toe een 'vlotte
kennis van het Frans' vermeld stond als vereiste voor een vacature,
zal binnenkort een veel nauwkeuriger aanduiding prijken van de
vereiste taalvaardigheid. Aan de hand van de schalen van het
Europees Referentiekader kunt u immers precies omschrijven over
welke deelvaardigheden op welk niveau een kandidaat moet beschikken
om optimaal te kunnen functioneren binnen uw bedrijf. Elk jobprofiel
kan een daaraan gekoppeld taalvaardigheidsprofiel meekrijgen.
Het is de bedoeling dat de niveaus van taalvaardigheid die
men in de lidstaten van de Raad van Europa hanteert binnenkort
allemaal gerelateerd worden aan deze Europese schaal.
ACCESS heeft niet gewacht om dit nieuwe Europese instrument
in te schakelen in zijn strategie om een steeds betere dienstverlening
op te zetten. De taaltests die ACCESS samen met gerenommeerde
Europese partners ontwikkelde, zijn gebaseerd op de taalvaardigheidsschaal
van het Europees Referentiekader. Bovendien hanteert ACCESS de
Europese niveaus bij het samenstellen van en het rapporteren
over een taalprogramma op maat van een concrete kandidaat.
Wat is de Europese taalportfolio?
Het Referentiekader is een instrument waarmee taalvaardigheid
kan worden beschreven, maar er is bij de Raad van Europa ook
nagedacht over een manier waarop individuele taalcursisten kunnen
laten zien op welk niveau ze een Europese taal beheersen. Het
resultaat daarvan is de Europese taalportfolio. Een dergelijke
portfolio beschrijft hoe en waar iemand een taal heeft geleerd,
welk beheersingsniveau hij of zij heeft bereikt en welke plannen
hij heeft om in de toekomst zijn talenkennis uit te breiden.
De Taalportfolio werd net als het Referentiekader ontwikkeld
op initiatief van de Raad van Europa. In die zin zal het ook
niet verbazen dat dit instrument erg nauw aansluit bij het Referentiekader
en de Europese taalniveaus. De Taalportfolio biedt ruimte voor
formele bewijzen van taalvaardigheid (zoals certificaten), maar
geeft de gebruiker ook de ruimte voor zelfevaluatie.
De Taalportfolio bestaat concreet uit drie onderdelen:
* het taalpaspoort, waarin de houder van de portfolio zijn of
haar (vreemde)taalvaardigheid op een gestructureerde manier aan
de hand van de Europese taalniveaus in kaart brengt.
* een taalbiografie, waarin de taalachtergrond van de gebruiker
is vermeld plus andere taalleerervaringen (intensieve telefonische
contacten met anderstaligen, een verblijf in het buitenland enz.)
waarvoor geen formele bewijzen beschikbaar zijn.
* een taaldossier met voorbeelden van eigen werk die de taalvaardigheid
kunnen aantonen (Bijvoorbeeld een anderstalig rapport uit een
vorige functie)
Aan de hand van de taalportfolio kan een medewerker zijn eigen
taalvaardigheid documenteren, maar ook beheren en plannen: de
portfolio biedt ook plaats voor het definiëren van doelstellingen
op het vlak van taalvaardigheid. In die zin is de Taalportfolio
dan ook een instrument voor 'taalcarrièreplanning': het
maakt de gebruiker ervan bewust waar hij of zij staat op het
vlak van vreemdetaalbeheersing en waar hij of zij naartoe wil.
Ook het bedrijf wordt er beter van wanneer zijn medewerkers bewust
omgaan met het taalkapitaal van het bedrijf. Bovendien mag ook
de motiverende waarde van de taalportfolio niet onderschat worden:
hij erkent immers de inspanningen van het leren en helpt de taalleerder
zichzelf te evalueren.
In Vlaanderen is er een Taalportfolio ontwikkeld door DVO
(Dienst voor Onderwijsontwikkeling, Ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap). Het uiteindelijke model zal vanaf september 2002
ter beschikking staan van iedereen die met vreemdetalenleren
bezig is in Vlaanderen. ACCESS heeft zich geëngageerd tot
medewerking bij de pilootfase van deze portfolio. Bedrijven die
het gebruik van een taalportfolio willen stimuleren onder hun
medewerkers, kunnen dan ook rekenen op een deskundige begeleiding.
|
Referentiekader MVO: Introductie
I. Introductie
Dit referentiekader voor maatschappelijk verantwoord ondernemen
(MVO) is een initiatief van het MVO Platform, een coalitie van
Nederlandse maatschappelijke organisaties die actief zijn op
dit terrein. Het referentiekader is een inventarisatie van normen,
afspraken en operationele aspecten die bij MVO in internationaal
verband een rol spelen. Uitgangspunt daarbij zijn internationaal
breed onderschreven verdragen, richtlijnen en instrumenten die
direct of indirect tot maatschappelijke verplichtingen en verantwoordelijkheden
van ondernemingen leiden.
Het referentiekader heeft ten doel:
* deze internationale verdragen, richtlijnen en instrumenten
in kaart te brengen
* bij te dragen aan meer eenduidig taalgebruik en
definiëring van de in het MVO-debat gebruikte begrippen
* de toepassing van internationaal erkende normen
op het gebied van MVO te versterken en te bevorderen
* tegemoet te komen aan de veelgehoorde wens vanuit
het bedrijfsleven naar een samenhangende visie vanuit maatschappelijke
organisaties ten aanzien van MVO
* te dienen als gezamenlijk kader van waaruit de
leden van het MVO Platform individueel en gezamenlijk hun strategie
bepalen en initiatieven ondernemen om MVO te bevorderen.
MVO behoort overeenkomstig het advies van de Sociaal Economische
Raad (SER) "De Winst van Waarden" tot de kernactiviteiten
van een onderneming en zou integraal deel uit moeten maken van
de bedrijfsvoering. Het is volgens de SER gericht op drie dimensies
van 'waardeschepping': Profit, People and Planet. MVO is daardoor
veel meer dan maatschappelijke betrokkenheid (bijvoorbeeld via
buurtprojecten) en liefdadigheid, hoe positief deze ook gewaardeerd
mogen worden. Zij kunnen goed gedrag waar het gaat om verantwoord
economisch, sociaal en ecologisch handelen, de kernactiviteiten
van de onderneming, niet vervangen. Het is daarom belangrijk
dat ondernemingen alles doen in de hele keten waar zij deel van
uit maken om maatschappelijk ondernemen mogelijk te maken en
te bevorderen. MVO is een proces waarmee een bedrijf verantwoordelijkheid
neemt voor de consequenties van haar handelen op sociaal, ecologisch
en economisch gebied in de hele keten en daarover verantwoording
aflegt en de dialoog aangaat met belanghebbenden daarover.
In het voorliggende MVO Referentiekader geven Nederlandse maatschappelijke
organisaties een nadere invulling van maatschappelijk verantwoord
ondernemerschap. Die invulling is waar mogelijk gebaseerd op
internationale verdragen, richtlijnen en instrumenten, waaronder
de ILO arbeidsconventies, de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens, de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling
en de Verklaring van Kopenhagen inzake Sociale Ontwikkeling.
Deze en andere verdragen zijn weliswaar door regeringen van staten
overeengekomen maar leiden ook tot verantwoordelijkheden en verplichtingen
voor ondernemingen. Wat echter nog ontbreekt is een precieze
vertaling van deze verplichtingen en een wettelijk kader om deze
internationaal te handhaven voor het bedrijfsleven.
Momenteel vinden ontwikkelingen plaats die daartoe kunnen leiden.
Van groot belang in dit verband zijn de "Responsibilities
of Transnational Corporations and Other Business Enterprises
with regard to Human Rights", die door de Subcommissie inzake
de Bevordering en Bescherming van Mensenrechten van de Verenigde
Naties (VN) zijn geformuleerd. Deze ontwerptekst is gebaseerd
op internationale verdragen en richtlijnen en op modelcodes van
NGO's, vakbonden en ondernemingen. Daarnaast zijn belangrijke
initiatieven genomen vanuit het Europese Parlement om de verantwoordelijkheid
van ondernemingen te definiëren en te handhaven.
Ook de vrijwillige OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen
zijn een belangrijke nieuwe standaard, met de kanttekening dat
deze richtlijnen geen vervanging kunnen zijn van nationale en
internationale bindende regelgeving.
Elk bedrijf en elke bedrijfssector kent zijn eigen dynamiek.
Dit betekent dat niet elk onderdeel van het referentiekader voor
elke onderneming of economische sector even relevant is. Een
onderneming of groep van ondernemingen zou door middel van een
constructieve dialoog met belanghebbenden moeten nagaan welke
maatschappelijke problemen uit het ondernemingsgedrag (kunnen)
voortvloeien. Mede op basis daarvan dient MVO-beleid ontwikkeld
en uitgevoerd te worden. Het is van groot belang om naast de
algemene uitgangspunten van dit referentiekader sectorspecifieke
richtlijnen, normen en uitvoeringsmechanismen te ontwikkelen.
Initiatieven die een hele sector, dan wel een hele (productie)keten
bestrijken, kunnen bijdragen aan een systematische uitvoering
van normen en richtlijnen en aan het ontwikkelen van 'best practices'
op basis van deze richtlijnen.
De ontwikkeling, nadere invulling en uitwerking van MVO is onderhevig
aan verandering door opgedane ervaringen en het voortschrijdend
maatschappelijk debat, en is daarom dynamisch van aard. Maatschappelijke
organisaties en ondernemingen hebben diverse initiatieven ontplooid
die deze dynamiek gestalte geven, soms ook samen met de overheid.
Voorbeelden hiervan zijn het internationaal overleg van vakbonden
en bedrijfsleven over de fundamentele arbeidsnormen, (multi)
stakeholderdialogen zoals de rondetafelgesprekken die Amnesty
voert met Nederlandse multinationals, initiatieven als de Fair
Wear Foundation, Max Havelaar en Fair Trade. Diverse uitgangspunten
van dit referentiekader zijn reeds verwoord in modelcodes zoals
de ICFTU Basic Code of Labour Practice en sectorcodes als die
van de Clean Clothes Campaign. Dergelijke initiatieven dragen
bij aan het verhogen van de kwaliteit van de normstelling, de
uitvoering daarvan en de controle daarop. Zij kunnen ook leiden
tot aanpassing van normen en zelfs tot nieuwe normen.
Gezien de dynamische aard van zowel het MVO-debat als de praktijk
moet dit referentiekader als een "levend document"
gezien worden dat aangepast wordt naarmate er belangrijke ontwikkelingen
op het gebied van MVO plaatsvinden. Internationale intergouvernementele
samenwerking, internationale wet- en regelgeving en MVO-initiatieven
van ondernemingen en maatschappelijke organisaties zullen als
bron dienen voor nadere invulling van dit MVO Referentiekader.
|
Maatschappelijk verantwoord ondernemen
In januari gaat Nederland naar de stembus. Als het nieuwe
kabinet de rit uitzit, bepaalt de verkiezingsuitslag het regeringsbeleid
tot 2007. Over maatschappelijk verantwoord ondernemen, een van
de vele programma-onderwerpen van de politieke partijen, zijn
de meningen nogal verdeeld. Gelukkig zitten de Nederlandse Niet
Gouvernementele Organisaties (NGO's) meer op één
lijn.
Onlangs onderschreven bijna dertig organisaties, waaronder de
Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, het MVO Referentiekader.
Dit referentiekader voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
is een initiatief van het MVO Platform, een coalitie van Nederlandse
maatschappelijke organisaties die actief zijn op dit terrein.
Het Referentiekader is een gezamenlijke inventarisatie van normen,
afspraken en operationele aspecten, die bij maatschappelijk verantwoord
ondernemen in internationaal verband een rol spelen. De deelnemende
organisaties hebben een gemeenschappelijk doel: ondernemingsgedrag
bevorderen dat bijdraagt aan het behoud en de bescherming van
het milieu en de economische en sociale vooruitgang. Gezamenlijk
roepen zij de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven op om
hun beleid en concrete initiatieven te baseren op normen en uitgangspunten
van het Referentiekader.
Dezelfde taal spreken
Maatschappelijk verantwoord obdernemen zou integraal deel uit
moeten maken van de bedrijfsvoering van een bedrijf. Van ondernemningen
mag verwacht worden dat zij alles doen wat in hun vermogen ligt
om zich aan internationaal geldende rechten op het gebied van
arbeid, milieu, welzijn, corruptiebestrijding en gezondheidszorg
te houden. Helaas blijkt in de praktijk dat vele, vooral ook
grote internationaal opererende bedrijven, zich aan hun verantwoordelijkheden
op dit gebied onttrekken. Vanuit commercieel belang sluiten zij
hun ogen voor misstanden en staan oogluikend toe dat mensen-
en arbeidsrechten worden geschonden en milieuverdragen en conventies
genegeerd.
Standaarden niet voldoende
De inventarisatie van het MVO Referentiekader is van groot belang
om bedrijven in eenduidige taal op hun gedrag aan te spreken.
Maar standaarden alleen zijn niet voldoende en met het MVO Referentiekader
wordt meer beoogd dan de verheldering van begrippen. De NGO's
willen een samenhangende visie formuleren ten aanzien van de
verwachtingen van het bedrijfsleven en streven naar juridisch
bindende richtlijnen die door regeringen, de Europese Unie en
internationale organisaties ontwikkeld en gecontroleerd worden.
Tenslotte dient het Referentiekader als kader bij de strategiebepaling
van de betrokken organisaties en bij het nemen van initiatieven
in de richting van bedrijven, overheden en internationale organisaties.
Rechten van de Mens
In het MVO Referentiekader wordt veel aan reeds bestaande, internationale
verdragen, richtlijnen en instrumenten gerefereerd. Een van de
meest bekende is waarschijnlijk de in 1948 geformuleerde Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar daarnaast zijn in
de loop der jaren vele internationale verdragen en instrumenten
geformuleerd, gericht op de verplichtingen en verantwoordelijkheden
van bedrijven, zoals de ILO-conventies (International Labour
Organisation). Wellicht de belangrijkste ontwikkeling op dit
geb1ed is de formulering van de Draft Human Rights Priciples
and Responsibilities for Transnational Corporations and Other
Business Enterprises, door de subcommissie mensenrechten van
de Verenigde Naties. Een code die zich naar de verwachting van
het MVO Platform zal ontwikkelen tot een bindende internationale
standaard voor verantwoord ondernemen.
Dynamisch document
De ontwikkeling, nadere invulling en uitwerking van het MVO Referentiekader
is onderhevig aan veranderingen. In de loop der jaren zal het
door praktijkervaring en maatschappelijk debat worden aangepast.
Het Referentiekader is een dynamisch document. De toekomst zal
leren hoe in Nederland en internationaal met maatschappelijk
verantwoord ondernemen zal worden omgegaan en hoever men wil
gaan in het formuleren van richtlijnen en de controle daarvan
voor bedrijven. Maar met het onderschrijven van dit document
zijn we een stap op weg in de goede richting. Een richting die
de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels van harte onderschrijft.
|
|
Het referentiekader DSO helpt de gebruiker bij het duurzaam
plannen en (her)ontwikkelen van woonwijken en bedrijventerreinen.
Het bestaat uit provinciaal beleid, landelijk geaccepteerde
ontwerpprincipes en referenties van gerealiseerde projecten.
Herkent u de volgende vragen?
* Ik ben betrokken bij de herstructurering van een wijk. Waar
liggen de kansen voor DSO?
* In mijn gemeente willen wij een een duurzaam plan ontwikkelen.
Welke zaken moeten we wanneer meenemen in de planontwikkeling?
* Zijn er eigenlijk wel kansen voor DSO op een traditioneel bedrijventerrein
met grootschalige detailhandel?
Voor antwoord op deze vragen en vele andere is het Referentiekader
DSO een nuttig instrument.
Gedeputeerde Theo Peters:
"De provincie werkt aan de verankering van DSO in haar beleid
inzake stedelijke vernieuwing, wonen en in het Streekplan.
Om gemeenten te helpen ook echt duurzame stedenbouw te realiseren
bieden we inhoudelijke- en procesondersteuning aan gemeenten
die actief met het onderwerp aan de slag willen.
Het Referentiekader is een van de instrumenten waarmee de provincie
Gelderland gemeenten ondersteunt. Ik wens u veel succes bij het
gebruik ervan...."
Wat is Duurzame stedelijke ontwikkeling?
Op 30 november 1999 heeft het college van Gedeputeerde Staten
van Gelderland het beleidsplan 'Duurzame stedelijke ontwikkeling
in Gelderland' vastgesteld. Het stuk kreeg als ondertitel ' Het
geheel is meer dan de som der delen' mee, en raakt daarmee de
essentie van wat Duurzame Stedelijke Ontwikkeling (DSO) is. Alleen
door verschillende ontwikkelingen in samenhang met elkaar te
bekijken kan duurzaamheid gestimuleerd worden.
Definitie DSO
Specifiek verstaan we onder DSO: het op zodanige wijze ontwerpen;
bouwen en inrichten, gebruiken en beheren van de stedelijke omgeving
dat de schade voor de gezondheid en het milieu in alle stadia
van het bestaansproces, van ontwerp tot en met sloop, zoveel
mogelijk wordt beperkt. Integrale duurzame planning biedt de
beste garanties voor DSO en vormt daarom het streefbeeld voor
de aanpak van en betrokkenheid bij DSO. Dit geldt zowel voor
de gemeente als voor de provincie.
Duurzaam provincaal instrumentarium
Een duurzame stedelijke ontwikkeling is een van de peilers van
het provinciaal beleid. In veel gevallen wordt het begrip erg
breed en abstract gevonden. Wat zegt het provinciaal beleid nu
over DSO en wat is algemeen landelijk geaccepteerd? Het referentiekader
poogt hier een helder beeld van te geven.
Hoe werkt het referentiekader?
Het referentiekader is zo opgezet dat er verschillende zogenaamde
ingangen zijn om bij de informatie te komen. Aan de linkerkant
van het scherm staan de belangrijkste ingangen specifieke en
generieke thema's met hun onderdelen. Daaronder staat procesmatige
ingang naar het Nationaal Pakket Duurzame Stedebouw. Dit is het
pakket waar de procesmatige kant van het referentiekader op gebaseerd
is. Door het kopje overige informatie aan te klikken wordt bijvoorbeeld
de literatuurlijst, begrippenlijst en colofon ontsloten. Hieronder
wordt uitgelegt wat er onder welk kopje staat en hoe het gebruikt
kan worden.
Procesinformatie
Onder het kopje Nationaal Pakket Duurzame Stedebouw (NPDS)
staan de elementen Proces, Ambitie, Gebiedstype en Timing beschreven.
Deze kunnen gebruikt worden als ingang vanuit de procesmatige
kant van een planopgave. Het referentiekader is niet strikt hiërarchisch
opgebouwd. Vanuit elke ingang wordt waar nodig doorverwezen naar
een ander onderdeel van het referentiekader.
De keuze wanneer welke ingang te gebruiken hangt grotendeels
af van de fase waarin het plan zicht bevindt in het planvormingsproces.
Bij proces wordt ingegaan op de verschillende fases binnen het
planvormingsproces. Bij timing wordt de inzet van de maatregelen
aan de procesfase gekoppeld. Met andere woorden, wanneer moet
of kan een maatregel ingezet worden. Bij ambitie worden de maatregelen
tegenover het ambitieniveau gezet. Hierbij gaat het er om of
een maatregel altijd inzetbaar en toegepast moet worden. Als
laatste is er de ingang gebiedstype. De gebiedstypen bepalen
voor sommige maatregelen of deze kansrijk ingezet kunnen worden
of niet inzetbaar zijn.
|
Inhoudelijke informatie
Bij inhoudelijke informatie is een onderscheid gemaakt in
specifieke thema's en generieke thema's.
De specifieke thema's (Water, Energie, Verkeer, Natuur &
Ecologie en Leefbaarheid) zorgen voor een ingang vanuit de specifieke
milieucomponenten binnen duurzame stedebouw. Na het aanklikken
van een thema volgt een korte introductie met daarin de hoofddoelstelling
van het gekozen thema. Daarna wordt het beleid van de provincie
ten aanzien van het thema beschreven en mogelijkheden voor duurzaamheid
aangereikt. Deze mogelijkheden zijn vertaald naar maatregelpakketten.
De maatregelen binnen de pakketten hebben een onderlinge samenhang
en vaak versterken de maatregelen elkaar. Waar het nodig is wordt
er verwezen naar andere thema's en maatregelen.
De generieke thema's lijken wat de opbouw betreft op de specifieke
thema's. Het verschil is dat ze niet van een specifiek milieuthema
afkomstig zijn maar een meer integrale insteek hebben. De thema's
Stedelijke Vernieuwing en Meervoudig Ruimtegebruik zijn generiek
en hebben elk specifieke maatregelen behorend bij hun thema,
maar ze leunen ook sterk op de inzet van maatregelen uit de specifieke
thema's.
Navigatie
Het referentiekader maakt gebruik van twee navigatiebalken. De
navigatiebalk aan de linkerkant blijft steeds in beeld en biedt
de mogelijkheid snel door de verschilllende thema's en ingangen
van het referentiekader te navigeren. Door het aanklikken van
een thema wordt de bijbehorende pagina geopend en verandert de
bovenbalk. In de bovenbalk staan de onderdelen van het gekozen
thema, hiermee is het mogelijk binnen het gekozen thema te navigeren.
Linksonderaan staat boven het logo van de Provincie Gelderland
staat vier knoppen. Door het aan te klikken wordt deze startpagina
weer opgeroepen. Het opent de zoekfunctie waarmee het mogelijk
is binnen dit referentiekader op trefwoorden te zoeken. Met het
aanklikken van het gaat u terug naar de vorige pagina. Met het
tenslotte sluit dit referentiekader.
Beheer en onderhoud van het referentiekader
DSO is een veld dat constant in ontwikkeling is. Er komen nieuwe
voorbeeldprojecten bij of inzichten veranderen. Ook vinden er
op dit moment actualisaties plaats van veel provinciale beleidsplannen,
zoals het milieubeleidsplan, het verkeer- en vervoersplan en
het streekplan. Het referentiekader zal daarom regelmatig (twee
keer per jaar) worden geactualiseerd. Opmerkingen, aanvullingen
en ideeën zijn welkom bij: xxxx
|
Relativiteitsprincipe
De Duitse fysicus Albert Einstein (1879-1955) stelde in 1905
het speciale relativiteitsprincipe op, namelijk alle natuurwetten
moeten gelijk zijn voor alle inertiaalwaarnemers die met constante
snelheid t.o.v. elkaar bewegen.
Het gevolg van deze eis is, dat hij beperkingen oplegt aan de
wiskundige formuleringen van de wetten van de dynamica (zgn.
galileitransformatie).
Omdat deze wetten geformuleerd t.o.v. een inertiaalwaarnemer,
de lichtsnelheid c bevatten, betekent dat het door Einstein geformuleerde
speciale relativiteitsprincipe eist dat
de lichtsnelheid onafhankelijk van de beweging van de waarnemer
is .
* Aanwijzingen voor de animatie.
* In de animatie staan twee apparaten die fotonen gebruiken om
tijdsverschillen te meten.
Zowel bovenin als onder in het apparaat staat een spiegel die
de fotonen terugkaatsen.
* Klik op de Start knop om de twee apparaten te synchroniseren.
Twee lichtpulsen worden vanuit één van de uiteinden
uitgezonden.
Als de fotonen tegelijkertijd in het midden van het apparaat
aankomen worden de gele ringen uitgezonden.
Er is geen relatieve snelheid tussen de twee apparaten.
* Verander de relatieve snelheid tussen de twee apparaten.
Er is een keuze tussen 0.6c en 0.8c , met c de
lichtsnelheid in vacuüm.
Eén van de apparaten begint te bewegen t.o.v. jouw referentiekader.
* Het referentiekader is gemakkelijk te veranderen door de cursor
in het bewegende apparaat te brengen.
De breedte van het bewegende apparaat wordt kleiner en de fotonen
lopende niet meer gelijk.
Het licht van de twee apparaten start op het moment dat de twee
bronnen elkaar raken.
Het licht van de twee lichtbakens (geel) aan de uiteinden zullen
(in jouw referentiekader) tegelijkertijd in het midden van het
apparaat aankomen. Dit betekent dat deze twee gebeurtenissen
simultaan in jouw referentiekader plaats vinden.
* In het bewegende apparaat komt het licht uit een van de lichtbakens
eerder aan dan de andere. Hier vinden deze twee gebeurtenissen
dus niet simultaan plaats.
* Er bestaat niet zoiets als absoluut gelijktijdig.
* Tijd is relatief, het is afhankelijk van de ruimte (het coördinatenstelsel).
Probeer jouw referentiekader te veranderen door de cursor van
binnen/buiten het bewegende systeem te brengen. (De tijd in jouw
referentiekader wordt op nul gezet)
Als je naar buiten door het raam kijkt, is de scène op
je netvlies valt, de gebeurtenis die je ziet, niet op één
en hetzelfde moment gebeurd.
De sterren op een foto van de sterrenhemel zijn slechts één
moment opname: zelfs licht dat tegelijkertijd op het fotomateriaal
terechtkomt, kan van twee sterren die tegelijkertijd exploderen
komen. Maar voor een andere waarnemer in het heelal kan een van
de explosies veel eerder hebben plaatsgevonden.
De periode van de klok in jouw referentiekader is 1.0 s.
Het getal T aan de linkerkant geeft de periode weer voor de fotonen
in jouw kader.
De periode in het bewegende kader is groter dan 1.0 seconde,
dus de klok loopt daar langzamer.
De waarnemer in rust ziet de puls op en neer bewegen met de lichtsnelheid
c.
Dit beeld wordt heel anders als je vanuit het ander kader kijkt.
De waarnemer die in rust is ten opzichte van de bewegende apparaat
ziet de puls over een afstand c t' reizen: de rode weg.
In jouw kader legt de puls een grotere afstand af: het moet nu
diagonaal reizen: de witte weg.
De lichtsnelheid is in beide kaders voor elke waarnemer even
groot.
De puls die diagonaal gaat, moet er dus langer over doen om deze
afstand ( c t ) af te leggen
In datzelfde tijdsinterval legt het apparaat ook een afstand
af: v t .
|
Referentiekader bestaande gezondheidszorggebouwen
Catergorie Geestelijke gezondheidszorg: verslavingszorg
Cbz/nr 0205-02
Regeling referentiekader basiskwaliteitseisen bestaande voorzieningen
voor verslavingszorg
Regeling College bouw ziekenhuisvoorzieningen tot wijziging
van de Regeling bouwmaatstaven WZV
(Stcrt. 2001, nr. 21)
Het College bouw ziekenhuisvoorzieningen,
besluit:
Artikel 1
Ten behoeve van bestaande voorzieningen voor verslavingszorg
wordt een referentiekader vastgesteld,
hetgeen een nadere omschrijving inhoudt van basiskwaliteitseisen.
Dit referentiekader, zoals nader
omschreven in het bij deze regeling gevoegde rapport, wordt als
"Referentiekader basiskwaliteitseisen
voor bestaande voorzieningen voor verslavingszorg" onder
nummer 0.01.3.03 toegevoegd aan Bijlage
0.01 van de Regeling bouwmaatstaven Wet ziekenhuisvoorzieningen
(Stcrt. 2001, nr. 21).
Artikel 2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling referentiekader
basiskwaliteitseisen voor bestaande
voorzieningen voor verslavingszorg.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag
na dagtekening van de Staatscourant
waarin deze regeling wordt gepubliceerd en waarin mededeling
wordt gedaan van de terinzagelegging
van het bovengenoemde referentiekader.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen
d.d. 8 juli 2002.
Bepaal het referentiekader
4.1 De expertgroep selecteert relevante en bruikbare criteria
voor het referentiekader.
Voor uw project kunt u putten uit de lijst met criteria
in tabel 4.1.
In hoeverre een criterium in uw specifieke situatie relevant
is, hangt af van de beleidsuitgangspunten.
Voorbeeld: als leefbaarheid in uw project geen issue is,
hoeft u dit ook niet in het referentiekader op te nemen.
Concentreer u hierbij op de criteria die relevant zijn voor
het bepalen van de knelpunten en van de 'speelruimte' in uw wegennet.
Omdat in een referentiekader de beleidsmatige wensen worden
gekwantificeerd, kunt u het naderhand (buiten dit project) ook
gebruiken bij ex ante en ex post (beleids)evaluaties om na te
gaan of de oorspronkelijke doelen zijn gehaald.
U richt zich in deze stap nog niet op zaken die te maken
hebben met het daadwerkelijk (on line) regelen van het verkeer
c.q. de aansturing van de verkeersmanagementmaatregelen. Dat
aspect komt pas aan de orde in stap 8.
Natuurlijk is een criterium alleen bruikbaar, als u zeker
weet dat u deze later kunt vergelijken met de actuele gegevens.
Dat kunnen meetgegevens zijn, of gegevens die u uit meetgegevens
kunt afleiden. Ga dus na of die betreffende data beschikbaar
zullen (of kunnen) zijn.
Bijvoorbeeld: als in het studiegebied geen meetapparatuur
voorhanden is (en ook niet snel voorhanden zal komen) om geluidshinder
te meten, ga dan na of het afgeleid kan worden van nauwkeurige
data over de intensiteit en de verdeling van verkeer.
Een veelzijdig instrument
Het referentiekader waar u in deze stap aan werkt, kunnen
we met recht een veelzijdig instrument noemen. Heel direct dient
het om vast te stellen wat de knelpunten zijn en hoe ernstig
die kwantitatief gesproken zijn (stap 6). Het maakt tevens zichtbaar
op welke delen van het wegennet er juist géén knelpunten
zijn en waar dus wellicht ruimte is om extra verkeer te verwerken.
Het referentiekader is daarmee indirect een essentieel middel
om de juiste services en maatregelen te kunnen bepalen (stap
7 en 8). U gebruikt het referentiekader daarnaast als (ex ante
of ex post) evaluatiemiddel: werkt het allemaal in de praktijk
en hebben we ons doel bereikt? Last but not least legt u met
het referentiekader de basis voor het later 'on line' regelen
van het verkeer.
|
Een referentiekader voor doelstellingen rond vroege NT2-verwerving
in Nederland en Vlaanderen.
Deze publicatie bevat heldere doelstellingen voor vroeg NT2-onderwijs,
geformuleerd door medewerkers van de Hogeschool Haarlem, expertisecentrum
NT2, en het Steunpunt NT2 (KULeuven). Het referentiekader is
bedoeld als inspiratiebron voor de velen die zich bezighouden
met het geven en ondersteunen van het onderwijs Nederlands aan
allochtone kleuters.
De basisvraag waarop dit referentiekader een antwoord geeft,
is: 'Wat moeten allochtone leerlingen met de Nederlandse taal
kunnen doen aan het einde van groep 2 c.q. aan het einde van
het kleuteronderwijs.'
De tekst bestaat uit een inleiding, doelstellingenlijst en
uitleiding. Er wordt in de doelstellingenlijst een opsplitsing
gemaakt naar de vier vaardigheden. Eerst volgt de lijst van doelstellingen
voor luisteren, gevolgd door de doelstellingen voor spreken,
lezen en schrijven. De beschrijving van de doelstellingen concentreert
zich op het meso-niveau (wat moeten kleuters precies met taal
kunnen doen?) en het micro-niveau (welke talige elementen hebben
ze daarvoor minimaal nodig?). Bij elke doelstelling wordt een
voorbeeld gegeven uit de klaspraktijk.
Het uiteindelijke doel van deze tekst is dat een bijdrage
wordt geleverd aan de verbetering van de positie van allochtone
kinderen in het onderwijs. De opzet is om hun kansen in ons Nederlandstalig
onderwijs te vergroten vanuit een maximale ontwikkeling van hun
taalvaardigheid Nederlands.
Potentieel heeft de tekst bijzonder veel toepassingsmogelijkheden.
De tekst kan dienen als richtsnoer voor kleuterleid(st)ers en
directies bij het onder de loep nemen van hun taalonderwijs en
het uitzetten van een taalbeleid, voor materiaalontwikkelaars
bij het ontwikkelen van lesmateriaal NT2, voor inspecteurs bij
het evalueren van scholen op het vlak van onderwijs NT2, voor
begeleiders, lerarenopleiders, didactici en nascholers bij het
nadenken over onderwijs NT2, voor beleidsmaatregelen ter bevordering
en evaluatie van het NT2-onderwijs, en voor toetsontwikkelaars
die evaluatie-instrumenten met betrekking tot taalvaardigheid
Nederlands ontwikkelen.
|