´zoe ken
overgankelijk werkwoord, ook zonder object;
zocht, heeft gezocht;
afleiding: zoeker
1 - trachten te vinden
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
geld zoekt geld
wie eenmaal geld bezit zal er makkelijk bijkrijgen
het meisje zocht haar moeder
+ voorzetsel
zoeken in alle gaten en hoeken
naar zijn woorden (moeten) zoeken
niet weten wat te zeggen
zonder combinatiewoord
zoekt en gij zult vinden, die zoekt die vindt
met ijver en inspanning bereikt men zijn doel
2 - trachten te verkrijgen, te bereiken
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
een baan zoeken
een goed heenkomen zoeken
zich redden uit een onaangename of gevaarlijke situatie
iemands ondergang zoeken
de ruimte zoeken
de natuur in gaan
+ voornaamwoord
ergens niets te zoeken hebben
er niets te maken hebben
+ bijwoord
ver te zoeken zijn
niet aanwezig
niet ver te zoeken
voor de hand liggend
dat is ver gezocht
heeft eigenlijk totaal niets met de kwestie van doen
+ voorzetsel
iets niet achter iemand zoeken
iemand niet tot zoiets in staat achten
achter alles iets zoeken
wantrouwig zijn
hulp zoeken bij iemand
het in iets zoeken
daarmee de juiste oplossing proberen aan te dragen
zo iemand moet je met een lantaarntje zoeken
zo iemand is moeilijk te vinden
naar gas, olie zoeken
spijkers op laag water zoeken
vitten, muggenziften
3 - iedere gelegenheid aangrijpen om te vitten op
voorbeeld
+ werkwoord
de sergeant liep soldaat S. de hele dag te zoeken
4 - proberen
voorbeeld
+ werkwoord
iemand zoeken te bedriegen
5 - door zijn gedrag uitlokken
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
ruzie, moeilijkheden zoeken
¶ idioom
voorbeeld
+ werkwoord
ze wist niet meer waar ze het zoeken moest
ze wist niet meer wat ze moest doen
woord
het woord; de woorden
1 - spraakklank of geheel van spraakklanken dat op zichzelf
een betekenis heeft of de zichtbare voorstelling hiervan
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
in woord en beeld
daar is geen woord Frans bij
dat is duidelijk
in een paar woorden
+ bijvoeglijk naamwoord
afgeleide, samengestelde woorden
met andere woorden
anders uitgedrukt
duidelijker gezegd
<in België> geen benedijd woord
geen enkel
dikke woorden
geleerde woorden
gevleugelde woorden
treffende, min of meer op spreuken lijkende gezegden
met een half woord iets zeggen
het bedekt te kennen geven
een hybridisch woord
samengesteld uit woorden van verschillende talen
altijd het laatste woord moeten hebben
altijd nog wat toe te voegen hebben
is dat uw laatste woord?
definitieve mening, uiterste bod
een vies woord
vulgaire uitdrukking
vreemde woorden
die nagenoeg ongewijzigd uit andere talen zijn overgenomen
+ werkwoord
zijn woorden inslikken
iets terug nemen
<figuurlijk> jongleren met woorden
ermee goochelen
iemand de woorden uit de mond kijken
met ongeduld op zijn spreken wachten of naar zijn woorden
luisteren
iemand woorden in de mond leggen
woorden in de mond nemen
het woord nemen
beginnen te spreken
hoe spel je dat woord?
de woorden bleven in mijn keel steken
ik kon bijna niet spreken
men moet hem de woorden uit de keel, de mond trekken
hij zegt bijna nooit wat
geen woord van iets verstaan, begrijpen
niet veel woorden over, aan iets vuilmaken
er kort over zijn
zijn woorden (op een goudschaaltje) wegen
voorzichtig formuleren
enkele woorden wisselen
even met elkaar spreken
een paar woorden zeggen
een korte toespraak houden
naar zijn woorden (moeten) zoeken
niet weten wat te zeggen
+ voornaamwoord
niet uit zijn woorden kunnen komen
zich slecht uitdrukken
+ voorzetsel
de daad bij het woord voegen
een geuit voornemen direct ten uitvoer brengen
in weinig woorden veel zeggen
in één woord
kort gezegd
met zoveel woorden
in die formulering
met deze woorden
dit zeggende
iets onder woorden brengen
iets zeggen
let op je woorden
wees voorzichtig met wat je zegt
op zijn woorden passen
goed bedenken wat men zegt
over zijn woorden struikelen
hakkelen omdat men te snel wil praten
van woord tot woord
volledig
woorden van gelijke strekking
waarmee hetzelfde bedoeld wordt
woord voor woord
volledig en precies
+ telwoord of lidwoord
het eerste woord er nog over moeten zeggen
er nog nooit iets over gezegd hebben
geen woord meer
zwijg verder
geen woorden maar daden
niet alleen maar praatjes
ik krijg er geen woord tussen
ik krijg niet de kans ook iets te zeggen
daar is geen woord van aan, waar
alles is gelogen
geen woorden voor iets hebben
het niet kunnen uitdrukken
dat is geen woord te veel gezegd
niet overdreven
met twee woorden spreken
niet alleen met ja of neen antwoorden
iemand van weinig woorden
die niet veel zegt
samenstelling
modewoord, scheldwoord
2 - wat gezegd wordt
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
het Woord Gods
de bijbel
+ bijvoeglijk naamwoord
een aardig woordje Engels spreken
die taal redelijk beheersen
geen goed woord voor iets over hebben
het volstrekt verwerpen
een goed woord voor iemand doen
aanbevelen, verdedigen
goede woorden kosten geen geld
raad of troost geeft men gemakkelijker dan geld
een groot woord
meer inhoudend dan eigenlijk bedoeld wordt
een haastig woord is gauw gezegd
je moet niet te snel weerwoord geven
een hartig woordje spreken
duidelijk zeggen waar het op staat
het hoge woord moest eruit
dat waar het om te doen was
een hoog woord hebben over iets
veel aan te merken hebben
het hoogste woord voeren
druk en zelfbewust spreken
een kort woord spreken
korte woorden
zonder vriendelijkheid
daarover is het laatste woord nog niet gezegd,
gesproken
die kwestie is nog niet afgehandeld
het verlossende woord spreken
datgene zeggen wat in een bepaalde moeilijke situatie tot
een oplossing leidt
vleiende, harde woorden tot iemand richten
hem vleien respectievelijk scherp terechtwijzen
een vriendelijk woord
+ werkwoord
iemand de woorden uit de mond halen/nemen
zeggen wat hij juist wilde gaan zeggen
woorden hebben, krijgen
onenigheid
dat is het juiste woord niet
zo is het niet bepaald
dat is te zwak uitgedrukt
+ voorzetsel
het niet bij woorden laten
handtastelijk worden
het blijft bij woorden
men komt niet tot daden
woorden in de wind
ijdel gepraat
<pregnant> van het ene woord kwam het andere
het gesprek ontaardde in een ruzie
zonder combinatiewoord
het Woord is Vlees geworden
Christus is als mens geboren
3 - het uiten van woorden, het spreken
voorbeeld
+ werkwoord
zij kan goed haar woord doen
weet zich goed uit te drukken
het woord is aan u, u hebt het woord
het is uw beurt om te spreken
het woord tot iemand richten
het woord voeren/geven
+ voorzetsel
iemand aan het woord laten
laten uitspreken
aan het woord zijn
spreken
iemand te woord staan
aanhoren
samenstelling
dankwoord
4 - erewoord, belofte
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
op mijn woord van eer
eerlijk waar
+ werkwoord
zijn woord geven, breken, houden
iemand aan zijn woord houden
verlangen dat hij doet wat hij beloofd heeft
+ voornaamwoord
een man van zijn woord
die te vertrouwen is
+ voorzetsel
iemand op zijn woord geloven
5 - krijgs-, wachtwoord
|